Het verhaal van

Nationaal Park

De Alde Feanen

Van ijsvlakte naar toendra, steppe en oerbos, vervolgens van moeras, landbouwgrond en veenafgraving tot natuur- en recreatiegebied… Het landschap van Nationaal Park De Alde Feanen is vaak ingrijpend veranderd. Een samenspel van natuur, elementen en — steeds meer — de mens. Nog altijd herinneren sporen aan wat zich door de eeuwen heen heeft afgespeeld.

Ontdek het verhaal van De Alde Feanen ↓

--

240.000 → 13.000 jaar geleden

IJstijd    
IJstijd

Langzaam bewegen gigantische ijsmassa’s zich tijdens de voorlaatste ijstijd (240.000 – 130.000 jaar geleden) over Friesland, ook over wat nu het Nationaal Park is. Ze verpulveren zwerfkeien tot leem.

Smeltende gletsjers kerven daarna de eerste contouren van de latere rivieren Alddjip, Smallingerlandse Ee en de Boorne. De poolwind brengt zand, dat zich vooral ophoopt ten oosten van het gebied. De basis is gelegd.

Tijdens de laatste ijstijd (110.000 tot 13.000 jaar geleden) wisselen warmere en koude periodes elkaar af. Het wordt zelfs warmer dan tegenwoordig. Mammoeten, muskusossen, sabeltandtijgers, rendieren en reuzenherten komen naar de rijk bloeiende toendra’s. Ook Neanderthalers verschijnen op het toneel.

Tot het tijdens de laatste fase ijzig koud wordt.



--

12.000 → 5.000 jaar geleden

Bos en eerste boeren    
Bos en eerste boeren

Wanneer het uiteindelijk weer opwarmt, komen planten en dieren terug, gevolgd door rendierjagers.

Voor het eerst krijgen bomen kans. Er ontstaan uitgestrekte bossen. Dat bemoeilijkt het jagen.

Nieuwe bewoners pakken het daarom zo’n 5.000 jaar geleden anders aan. Ze maken open plekken voor akkers en vee. Zij zijn hier de eerste boeren.



--

6300 → 5600 jaar geleden

Veenvorming    
Veenvorming

Ondertussen raakt door een stijgende zeespiegel en stijgend grondwater een deel van Friesland bedekt met veen.

Veen is een grondsoort die zich vormt in natte gebieden. Het bestaat uit afgestorven resten van planten en bomen. Ze verteren niet doordat er in het water geen zuurstof bij komt.

Wanneer de zee verder oprukt en het land regelmatig overspoelt, laat die steeds een laagje klei achter. Maar de zee bereikt De Alde Feanen net niet. De veenvorming gaat daar gewoon door.

Het wordt er wel steeds natter. Water van de hogere zandgronden in het oosten stroomt via riviertjes door De Alde Feanen naar de kwelders in het noorden en westen. Door de aangroeiende kleilaag op de kwelders kan het water in De Alde Feanen echter steeds moeilijker weg.

Het gebied verandert in een ondoordringbaar laagveenmoeras met riet- en zeggevelden. Het bos verdrinkt. De boeren moeten vertrekken.

De veenvorming zet door. Op het natte laagveen dat door grondwater wordt gevoed, voelt het sponzige plantje veenmos zich prima thuis.

Veenmos neemt regenwater op. De onderkant sterft steeds af, terwijl de bovenkant doorgroeit.

In honderden jaren vormt zich een metersdik kussen van hoogveen.



--

0 → 3e eeuw

Landbouw    
Landbouw

De invloed van jagers en verzamelaars en de eerste boeren op het landschap was beperkt. Dat verandert wanneer mensen vanaf de late ijzertijd en de Romeinse tijd uitvinden hoe landbouw tóch mogelijk is op het veen.

Dat doen deze nieuwe boeren door sloten te graven. Daardoor watert het volgezogen veen af naar de riviertjes en wordt de bovenste laag droog genoeg voor akkerbouw en veeteelt.

De boeren wonen op huisterpen in het veen. Daarop past één boerderij. Hier en daar zijn de huisterpen tegenwoordig nog te herkennen aan kleine hoogteverschillen.

De ontginningsmethode werkt prima, maar heeft een groot nadeel. Door de ontwatering verschrompelt en daalt het veen. Water uit de hoger gelegen omgeving stroomt er naartoe. Daardoor ontstaat opnieuw wateroverlast.

In de 3e eeuw wordt het te nat voor bewoning.



--

9e/10e eeuw → 16e eeuw

Boeren graven zich in    
Boeren graven zich in

Het veen krijgt zo’n 700 jaar om te herstellen. Tot de mens terugkeert wanneer de kwelders in de kleigebieden overbevolkt raken. Vanaf nu blijven ze voorgoed en vinden ze steeds andere manieren om gebruik te maken van hun omgeving.

Op de grenszone van klei en veen ontstaan terpdorpen als Grou, Warten en Aldeboarn.

Vanuit deze dorpen en de rivieren Alddjip, Smallingerlandse Ee en Boorne, pakken boeren de veenontginning systematisch aan. Er komen kaarsrechte sloten met daartussen lange, smalle grondstroken.

De ontginning vanuit de verschillende richtingen zie je nog terug in de lijnen in het landschap.

De landbouwgrond trekt meer mensen, en dorpen als Earnewâld en Aldegea ontstaan. Ondertussen graven de boeren zich, vanwege de voortdurende inklinking en vernatting, verder het gebied in.

Van een hoogveenkussen verandert De Alde Feanen uiteindelijk in een badkuip.

--

9e/10e eeuw → 16e eeuw



De ontginning vanuit de verschillende richtingen zie je vandaag de dag terug in de lijnen in het landschap.
--

16e eeuw → 19e eeuw

Hooiland    
Hooiland

Ondanks pogingen tot waterbeheer, zoals de Leppedyk langs de Boarne en het graven van de Headamsleat, is het veengebied begin 16e eeuw opnieuw onbewoonbaar. De mens blijft er wel actief. De boeren verhuizen naar de randen en gebruiken delen van De Alde Feanen ’s zomers als hooiland.

Hooi is een belangrijk product. Lange tijd wordt dit het meest voorkomende landgebruik, vooral met blauwgras. Het woord ‘werren’ of ‘warren’ – zoals De Hege Warren – betekent laaggelegen grasland.

De belangrijkste wegen in De Alde Feanen zijn waterwegen. Behalve de hooiweg, een 7 kilometer lange doodlopende weg van Aldegea richting Sitebuorren. Eeuwenlang halen boeren zo met paard en wagen het hooi op uit de Oudegaaster hooilanden.


Blauwgraslanden zijn drassige hooilanden. Belangrijke soorten zijn blauwe knoop (achtergrondfoto), blauwe zegge en pijpenstrootje.


--

15e eeuw → 19e eeuw

Turfwinning    
Turfwinning

De turfwinning drukt een nog veel groter stempel op het landschap dan landbouw.

Turf is een brandstof gemaakt van veengrond. Het wordt in kleine blokken gedroogd in zon en wind.

Er werd hier al eeuwen op kleine schaal turf gestoken, voor eigen gebruik. Het was zelfs een reden om vanaf de kwelders naar het veengebied te trekken. Vanaf de 15e eeuw gaan monniken vanuit kloosters meer systematisch turf winnen. Ze borduren daarbij voort op de greppels en vaarten die boeren eerder voor landbouw hadden gegraven.

Wanneer turf steeds belangrijker wordt, kopen veenbazen in de 18e eeuw grote delen van het veen op voor commerciële turfwinning. Sommigen komen uit de buurt, zoals Jan Durks uit Earnewâld.

De naam van de Earnewâldse veenbaas leeft voort in de Jan Durkspolder, ten zuidoosten van het dorp.

In rechte lijnen steken arbeiders grote hoeveelheden van de veengrond af. Ze leggen het direct ernaast op stripen, oftewel legakkers. Vaak wordt het land eerst omdijkt en drooggemalen met een kleine molen.

Er wordt ook veen onder water weggebaggerd. Zo ontstaan petten of petgaten. De arbeiders, met grote lieslaarzen, gooien het veen op pramen. Het wordt bij elkaar gebracht om te drogen.

De stripen en petten zijn nog duidelijk te herkennen. Vooral op een luchtfoto zie je de lange smalle grondstroken en kleine meertjes goed.

De turf wordt over het ondiepe water vervoerd met skûtsjes: kleine zeilende vrachtschepen met platte bodems.

In de 19e eeuw is het gedaan met de turfwinning in De Alde Feanen. De veenbazen laten een kaal, vergraven landschap achter. Stormen slaan sommige stukken overgebleven land alsnog in het water.



--

19e eeuw → 20e eeuw

Vissers en rietsnijders    
Vissers en rietsnijders

De waterrijke wereld die De Alde Feanen is geworden, biedt vissers kansen. In de omliggende dorpen hangen talrijke fuiken en netten te drogen. Met bootjes trekken de vissers het veengebied in.

Als een van de laatsten is Ale de Jager tegenwoordig nog steeds in De Alde Feanen actief als visser.

De meeste vissers verdienen ’s winters de kost als rietsnijder. Ze verkopen het riet voor dakbedekking.

Een vetpot is het niet. Maar gelukkig bieden de rietkragen, veenputten en ondergelopen hooilanden ook eieren, watervogels en klein wild.

Wie dat maar al te goed weet is het kluizenaarsechtpaar Sytse en Maaike, naamgevers van de Sytse Maaikesleat.

Sytse en Maaike nemen in 1903 hun intrek in een klein huisje met een bouwvallig schuurtje, op een eilandje aan het Holstmeer. Samen met hun geiten, kippen en de natuur leven ze hun eigen leven. De schrijvende dominee De Stoppelaar bezoekt hen regelmatig en legt hen vast in zijn boeken over De Alde Feanen


--

19e eeuw → 20e eeuw

Strijd tegen het water    
Strijd tegen het water

Aan de randen zijn boeren actief gebleven, zoals in de polders De Burd bij Grou en It Eilân bij Goëngahuzen. De stripen in De Alde Feanen komen van pas als hooiland. Maar omdat er meer landbouwgrond nodig is, nemen ze de strijd tegen het water hier in de 19e eeuw opnieuw op.

Een nieuwe techniek die zijn intrede had gedaan bij de turfwinning, krijgt hierbij een rol: de molen. Daarmee worden zelfs uitgegraven plassen drooggemalen. Er komen steeds meer boerenpoldertjes met kadedijken en kleine molens.

Een deel van de molens kom je nog tegen als je door De Alde Feanen vaart, wandelt of fietst.

In de 20e eeuw pakken de eerste waterschappen het groter aan. Zo krijgen bijvoorbeeld de meeste hooilanden boven Earnewâld kaden tegen de jaarlijkse overstromingen. In 1920 komt hier het eerste elektrische gemaal van Friesland.

Maar plannen om het hele gebied droog te leggen, die er door de eeuwen heen vaker zijn geweest, vinden ook nu geen doorgang. De laatste grote inpoldering is die van de Hege Warren in 1939.

De polders ontkomen in de jaren ’60 niet helemaal aan de modernisering in de landbouw en de ruilverkaveling. Toch wordt nu toch echt duidelijk: het blijft hier altijd nat.

Aan de randen, zoals de Hege Warren, valt het nog mee. Maar in de kern van De Alde Feanen houdt de ene na de andere boer het voor gezien. Behalve drassig, is het gebied kleinschalig en alleen over water bereikbaar. Alsof de tijd stil is blijven staan.

Marten en Wipkje Sytema zijn in 1966 de laatsten die hun boerderij verlaten. Vanaf 1924 hebben ze er geboerd, tot het ook hen te gortig wordt. Ze verhuizen met hun gezin naar een boerderij bij Warten.
--

20e eeuw → 21e eeuw

Natuur en natuurbeschermers    
Natuur en natuurbeschermers

Dat de moderne landbouw hier niet doorzet, is ook toe te schrijven aan een nieuwe beweging in De Alde Feanen. Na rendierjagers, boeren, veenbazen, vissers en rietsnijders, worden begin 20e eeuw natuurbeschermers actief.

Afgezien van de hooilanden, had de natuur de verlaten veenafgravingen overgenomen. Bomen groeien, rietlanden breiden zich uit, allerlei planten en dieren vestigen zich in deze natte oase.
Een aantal mensen ziet de waarde ervan. Ze willen voorkomen dat de nieuwe natuur in de verdrukking komt.

Vandaar dat Stichting Natuurmonumenten in 1923 de Rengersmiede opkoopt, een voormalig hooiland dat tijdens de turfwinning was vergraven.

De Rengersmiede staat ook bekend als de Kobbekoai, wegens een grote kolonie kokmeeuwen (‘kobbe’ in het Fries).

Vereniging It Fryske Gea wordt in 1930 opgericht en krijgt de Rengersmiede ‘om niet’ in langdurige erfpacht. Een van de bestuursleden is De Alde Feanen-fan dominee De Stoppelaar.

Dat is nog maar het begin. It Fryske Gea strijdt eerst vooral tegen bedreigingen zoals verdere inpoldering, ruilverkaveling en plannen voor grote vuilstorten. De meest effectieve manier is om als vereniging zelf beheerder of eigenaar te worden. Dat lukt uiteindelijk voor het grootste deel van het gebied; ook de drassige polders die één voor één door de boeren worden verlaten.

Naast natuurbescherming start It Fryske Gea met natuurontwikkeling. Er worden bijvoorbeeld polders onder water gezet, zoals de Jan Durkspolder. Andere polders blijven juist hooiland.

Door inspanning en samenwerking wordt De Alde Feanen een belangrijk natuurgebied. In 2006 krijgt het de status van Nationaal Park én van Natura 2000-gebied: de omvang en de soortenrijkdom van de laagveenmoerassen maken het natuurgebied ook in Europees opzicht bijzonder en waardevol.

--

21ste eeuw

Nationaal Park    
Nationaal Park

Nationaal Park De Alde Feanen meet ruim 4.000 hectare. Een deel ervan is een Europees belangrijk en beschermd Natura 2000-gebied. Ooit hoogveen, is De Alde Feanen nu een gevarieerd laagveenmoeras zoals die er nog maar weinig zijn, met rietland, moerasbos, vaarten, riviertjes, meertjes, eilandjes en polders. Er groeien wel zo’n 450 soorten planten, waaronder het nu zeldzame blauwgras. Meer dan 100 soorten vogels broeden in De Alde Feanen, zoals de roerdomp, een kolonie aalscholvers en ook de enorme zeearend.

De zeearend wordt wel de vliegende deur genoemd. Hij heeft een spanwijdte tot 2,40 meter.

Ook voor allerlei andere dieren zoals vissen en otters is het een belangrijk leefgebied. Zelfs de ree vindt er zijn weg.

Verder is er nadrukkelijk aandacht voor de cultuurhistorie, het landschap, voor de sporen uit heel uiteenlopende perioden. De loop van de rivieren bijvoorbeeld, de stripen, de petten, molens, maar ook de dorpen, de (voormalige) boerderijen, nog steeds bestaande zomerpolders zoals Laban, De Wyldlannen en Polder Grondsma of een winterpolder als De Bolderen.

De bloemrijke zomerpolders geven een doorkijkje naar hoe een groot deel van De Alde Feanen er lang als hooiland uitzag. Zomerpolders staan ‘s winters onder water; winterpolders worden het hele jaar bemalen.

Er zijn ook nog steeds mensen die er hun brood verdienen: vissers, rietsnijders en boeren die bijvoorbeeld de hooilanden maaien. Ze zijn zelfs onmisbaar bij het natuurbeheer.

--

Recreanten    
Recreanten

En dan is er nog een andere groep in De Alde Feanen. De recreanten. Rijkelui met adellijke titels wisten De Alde Feanen in de 17e eeuw al te vinden om er voor hun plezier te jagen.

Een van die adellijke jagers was stadhouder Hendrik Casimier II, die zich onder meer vorst van Nassau-Dietz mocht noemen. Hij rekende een deel van De Alde Feanen tot zijn jachtgebied. Dat staat nog steeds bekend als De Princenhof.

In de tweede helft van de 19e eeuw ontdekken steeds meer mensen De Alde Feanen als recreatiegebied. Het toerisme komt echt op gang in de 20e eeuw.

Rond 1900 wordt er vanuit Grou dan ook al druk gezeild met boeiers en andere boten. Het dorp ontwikkelt zich tot een watersportdorp van formaat, met in haar kielzog Earnewâld en Warten. Ook verschijnen tal van zomerhuisjes, enkel met bootjes bereikbaar, in het even verlaten als waterrijke gebied.



--

Natuur en recreatie    
Natuur en recreatie

Aanvankelijk zien natuurbeschermers de recreanten als een extra bedreiging voor de natuur. Met een goede afstemming blijken natuur en recreatie er echter prima samen te gaan.

Behalve vaarwegen, aanlegplekken, strandjes en andere voorzieningen voor de watersport, zijn er wandel- en fietsroutes, inclusief pontjes, en ook vogelkijkhutten en uitkijkplateaus. De dorpen bieden uiteenlopende mogelijkheden voor verblijf en vermaak, van een dagje tot een lange vakantie.

Ook aan activiteiten is geen gebrek, voor een extra beleving van de ruimte, de natuur, het landschap, de historie en de cultuur van De Alde Feanen.

Wil je meer weten over het ontstaan van De Alde Feanen? Lees de landschapsbiografie

--

Sporen en verhalen    
Op ontdekkingsreis

 

Ga zelf op zoek naar de sporen en verhalen van De Alde Feanen ↓

--

Earnewâld

Earnewâld is de enige overgebleven woonplaats midden in De Alde Feanen. Dat komt doordat het dorp hoog en droog op een zandbult in het veen ligt. Het zand kwam hier voor de laatste ijstijd terecht met de poolwind.

Skûtsjemuseum

De eerste skûtsjes waren niet van ijzer, maar van hout. Zoals de Aebelina. Ze ligt aangemeerd bij het Skûtsjemuseum, of vaart met gasten in en om De Alde Feanen. Proef, ruik en voel het oude schippersleven in het Skûtsjemuseum.

Kokelhûs fan Jan en Sjut

In museum ‘It Kokelhûs fan Jan en Sjut’ zie je hoe Jan en Sjut van den Berg hier tot 1957 leefden. Zij hadden een kruidenierswinkeltje en waren melkventers. Jan was daarnaast ook wel rietsnijder, scheerbaas en boerenarbeider, en ze vlochten vloermatten van biezen (kokels). Het huis is in 1777 gebouwd door een veenbaas.

Museum Warten

Museum Warten vertelt het verhaal van overleven in, op en met het water, in een omgeving van riet-, veen en graslanden. Ook het kluizenaarsechtpaar Sytse en Maaike en dominee De Stoppelaar komen voorbij.

Bommenwerper – Zwaluwhaven

Op de plek waar in 1942 een Engelse bommenwerper neerstortte, staat nu monument De Zwaluwhaven. Deze 32 meter lange muur heeft 251 gaten voor oeverzwaluwen, net zoveel als er in die nacht vliegtuigen opstegen in Engeland. De Lancaster R5682 werd boven de Waddeneilanden neergeschoten en kwam in De Alde Feanen terecht.

Er is ook een tentoonstelling over de Lancaster en de Zwaluwhaven in Bezoekerscentrum De Alde Feanen van It Fryske Gea, bij Earnewâld.

Palingvissen

Met Ale de Jager, een van de laatste vissers van De Alde Feanen, kun je het palingvissen zelf ervaren. Regelmatig licht hij zijn fuiken samen met een groepje gasten.

Stripen

De lange smalle landstroken die je veel ziet in De Alde Feanen zijn stripen of legakkers. De waterpartijen ernaast ontstonden door turfsteken. De turf werd op de stripen te drogen gelegd. Toen de turfwinning voorbij was, werden de stripen hooiland.